|
Dit brengt me bij een interessant onderwerp: Wat zijn de belangrijkste storingsoorzaken bij detectoren? Ik kan niet echt een top tien van defecten opnoemen, dit is namelijk ook nogal merk- en typeafhankelijk. Wat regelmatig voorkomt kan ik wel opsommen: Draadbreuk bij de batterijen, slecht sluitende batterijclips, afgebroken schakelaars en knoppen (valschade!), corrosie in printcontacten, storende schotelkabel. Echt dure reparaties (of total losses) ontstaan vaak door eigen schuld: Opgeblazen elektronica door "hobbyen" met accu's, aangevreten elektronica door hevig lekkende batterijen, eigen "reparaties" met behulp van S39 soldeervloeistof, losse kabelpluggen zelf (foutief) monteren. Een detector is nu eenmaal geen ding waar een doorsnee Nederlander zelf in moet rommelen. Nu we het toch lekker over uw fouten hebben kunnen we meteen eens uitwijden over typische gebruiksfouten. Herhaaldelijk zie ik amateurs zoeken met een achterstevoren gemonteerde zoekschotel. Naar men zegt is dan de gewichtsverdeling prettiger. Dit zal best kloppen, maar bij veel detectormerken "ziet" de schotel zo een belangrijk deel van de aluminium steel. Dit leidt onherroepelijk tot diepteverlies. Dan hebben we nog de
mensen die erg veel DISC gebruiken, waardoor zeker de kleinere vondsten
flink benadeeld worden.
U ziet aan de linkerzijde de grondbalanspijl. Verschuiven van de pijl naar links is meer grondondstoring. Nu komt het: Als je de pijl links van de lineaal zou afschuiven, verschijnt hij rechts op de lineaal weer in beeld! De lineaal is dus in werkelijkheid eigenlijk een ring; kop en staart zitten aan elkaar vast. Ook nu is het zo dat alles wat zich rechts van de grondbalanspijl bevindt onhoorbaar wordt, waaronder die dikke zilveren munt! Zonde toch? Zwaaitechniek; nog een terrein waar menig amateur de mist ingaat. Sommige mensen zie je aan het eind van de zwaai hun schotel tot zo'n 25 cm optillen. De effectieve zoekstrook wordt zo gereduceerd tot een vrij smal pad waar de schotel redelijk laag boven de grond beweegt. Beter is het om te kijken naar de ouderwetse boer met zijn zeis: door mee te draaien met zijn lichaam blijf de zeis mooi op constante hoogte, en de grasstoppels worden dus allemaal even lang. Iets vergelijkbaars moet met de detector ook gebeuren. Kijk maar eens kritisch naar uw eigen zwaaitechniek. Dat de ene zwaai de andere een stukje moet overlappen spreekt voor zich. De zwaaisnelheid is ook een belangrijke parameter. De beste zwaaisnelheid moet per detectortype zelf worden bepaald. Probeer gewoon uit op een ingegraven vondst welke zwaaisnelheid de beste signalering oplevert. Belangrijk is wel dat tijdens de zwaai de snelheid redelijk constant is. Dus niet topsnelheid in het midden en sukkeltempo aan de einde van de zwaaien. Overigens is de zwaaisnelheid ook sterk afhankelijk van schotelformaat en schoteltype. Kleinere schotels vragen een lagere zwaaisnelheid. Ook 2D schotels moeten meestal rustiger worden bewogen dan concentrische. Dit is makkelijk te begrijpen; in fig. 2 ziet u de "hete" detectiezone van de 2D en van de concentrische schotel.
De 2D heeft een smalle detectiestrook waardoor die korter en heftiger op een vondst zal reageren dan de grote brede zone van de concentrische schotel, vooral voor vondsten dicht bij het oppervlak. Uitproberen is ook hier zeer leerzaam. Dezelfde verschillen tussen 2D en concentric zijn verantwoordelijk voor het verschil in maskering door ijzer. In fig. 2 zijn een munt en een spijker ingetekend bij beide schoteltypen. U ziet dat bij de 2D schotel de munt in de detectiezone ligt en de spijker niet. Bij de concentrische schotel liggen beide voorwerpen tegelijkertijd binnen de detectiezone, waardoor de detector niet echt in staat zal zijn de munt te laten horen. Meteen wordt ook duidelijk waarom op afvalhopen een piepklein schoteltje interessant is; door het kleine formaat zal de schotel de doelen als afzonderlijke voorwerpen laten horen. Dit piepkleine schoteltje mag dan gerust concentrisch zijn. Een piepklein 2D schoteltje heeft het praktische nadeel dat die extreem kleine metaalsnippertjes en b.v. hagelkorrels laat horen. Bij sommige merken werken verschillende schoteltypen ook op verschillende werkfrequenties. Dit is een extra parameter die de detector andere eigenschappen geeft. Lage frequenties dringen beter door de bodem heen, maar zijn ook erg gevoelig voor ijzer. Hoge frequenties geven betere eigenschappen voor goud, maar dringen minder diep door in de bodem. De meeste detectormerken passen inmiddels vrij lage frequenties toe (ca.3 tot 15 kHz.) voor allround hobbydetectoren, en hoge frequenties (ca. 50 tot 150 kHz.) voor gouddetectoren. Het effect van de werkfrequentie op de algehele detectoreigenschappen is een zeer complexe zaak. We zullen hierop ingaan in een later artikel. |
|
|